ECLI:NL:CRVB:2022:841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eerste arbeidsongeschiktheidsdag in WAO-uitkering na laattijdige aanvraag
Appellant, werkzaam als technisch inkoper, vroeg om vaststelling van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 januari 1988 in plaats van 29 augustus 1988, om pensioenvoordelen te verkrijgen. Het UWV wees dit verzoek aanvankelijk af wegens het ontbreken van nieuwe feiten en behandelde het als een herhaalde aanvraag. In hoger beroep stelde appellant dat het verzoek als eerste aanvraag moest worden gezien met nieuwe medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht terugkwam op het eerdere besluit en het verzoek als een laattijdige aanvraag heeft behandeld. Het was aan appellant om met medisch objectieve stukken aannemelijk te maken dat hij op 1 januari 1988 al arbeidsongeschikt was. Dit is niet gelukt, mede omdat appellant ondanks visusklachten zijn werkzaamheden naar tevredenheid uitvoerde en zich pas ziek meldde na afloop van zijn dienstverband.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld met een inhoudelijke beoordeling ondersteund door medische rapporten en een hoorzitting. Er was geen aanleiding om een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het eerdere besluit gegrond en dat besluit vernietigd. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerdere besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar wordt ongegrond verklaard.