ECLI:NL:CRVB:2022:896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid op medische gronden
Appellante was werkzaam als algemeen huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek met long- en rugklachten. Na een eerste WIA-beoordeling werd zij als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld en kreeg zij geen uitkering. Later meldde zij zich opnieuw ziek en vroeg zij een Ziektewetuitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd op grond van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij het beginsel van equality of arms niet was geschonden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek onzorgvuldig was, mede vanwege onvoldoende betrokkenheid van haar huisarts en longarts. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige, verwijzend naar het arrest Korošec van het EHRM.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar medische informatie in te dienen en dat er geen aanleiding was om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwijfelen. De diagnose COPD uit een brief van na de datum in geding werd niet relevant geacht voor de beoordeling op die datum. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.