ECLI:NL:CRVB:2022:909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
20/3391 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding gokactiviteiten

In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand over de periode van juni 2018 tot en met augustus 2019 en de terugvordering van een bedrag van €8.137,26. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door haar gokactiviteiten niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Appellante erkende een gokstoornis en gaf aan in de relevante periode te hebben gegokt, maar hield geen administratie bij van haar gokinkomsten. De Raad benadrukte dat het melden van gokactiviteiten verplicht is omdat hieruit mogelijke inkomsten kunnen voortvloeien die van invloed zijn op het recht op bijstand.

Omdat appellante geen objectieve of verifieerbare gegevens kon overleggen over haar gokactiviteiten en opbrengsten, kon het college niet vaststellen of en in welke mate zij recht had op bijstand. Dit betekent niet dat er een verbod op gokken geldt, maar wel dat dergelijke activiteiten gemeld moeten worden. De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens het niet melden van gokactiviteiten.

Uitspraak

20.3391 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2020, 20/2296 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het college)
Datum uitspraak: 19 april 2022
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R. van der Maarel
Appellante is niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van der Buijs.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand over meerdere maanden in de periode van 1 juni 2018 tot en met 31 augustus 2019 en een terugvordering van gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.137,26.
Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van gokactiviteiten. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Niet in geschil is dat appellante een gokstoornis heeft. Uit de verklaring van appellante van 22 juni 2019 volgt dat zij in de te beoordelen maanden heeft gegokt. Het hoger beroep komt er op neer dat appellante niet kan worden tegengeworpen dat zij van haar gokinkomsten geen administratie heeft bijgehouden en dat de onderhavige besluitvorming de facto neerkomt op een verbod op gokken in een casino.
De Raad stelt voorop dat het gokken op zichzelf een bezigheid is die gemeld moet worden, omdat uit de aard daarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Appellante had het college hiervan op de hoogte moeten stellen, zodat het college kon onderzoeken of inkomsten werden verworven en tot welk bedrag. Vergelijk de uitspraken van 29 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1612, 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703 en
15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3422.
Omdat appellante geen melding heeft gemaakt van haar gokactiviteiten, heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Het lag in die situatie op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij, als zij daarvan wel melding had gemaakt, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. Dat zij geen administratie heeft bijgehouden in het casino is wellicht begrijpelijk, maar komt gelet op de schending van de inlichtingenverplichting voor haar rekening en risico. Omdat zij geen overzicht van haar gokactiviteiten heeft bijgehouden en ook niet op een andere manier met objectieve of verifieerbare gegevens de omvang van haar gokactiviteiten en de gokopbrengsten aannemelijk heeft gemaakt, bestaat geen inzicht in de omvang van de gokactiviteiten en ook niet in de daarmee gewonnen bedragen. Daarom kan het recht op bijstand in de hier aan de orde zijnde maanden niet worden vastgesteld.
Anders dan appellante stelt, houdt dit niet de facto een verbod in op gokken in het casino. Voor gokken in het casino geldt hetzelfde als voor andere op geld waardeerbare activiteiten. Die activiteiten zijn niet verboden en mogen naast de bijstand worden verricht. Je moet ze wel melden bij het college, zodat het college kan onderzoeken of daarmee inkomsten worden verworven en tot welk bedrag.
De gronden van appellante slagen niet. Om die reden wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R. van der Maarel (getekend) P.W. van Straalen