ECLI:NL:CRVB:2022:928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontving bijstand sinds 2011 en werd onderzocht nadat zijn broer zich had ingeschreven op zijn adres. Uit bankafschriften bleek dat appellant diverse kasstortingen, bijschrijvingen van derden en gokaccounttransacties niet had gemeld aan het college. Het college herzag de bijstand en vorderde teveel betaalde bedragen terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen moeten worden aangemerkt, ook als ze variëren in hoogte en niet maandelijks plaatsvinden. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Appellant kon de herziening en boete niet betwisten met zijn stellingen over eigen geld en gokverslaving.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar leverde geen nieuwe concrete bewijsstukken. De Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat appellant geen controleerbare gegevens van gokaccounts had overgelegd en dat de boete terecht was opgelegd. Dringende redenen om van de boete af te zien, zoals onaanvaardbare sociale of financiële consequenties, werden niet aannemelijk gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden, dat de terugvordering terecht was, en dat de boete passend en evenredig was. De boete was in juni 2019 volledig afgelost, en er waren geen redenen voor verdere matiging.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en handhaaft de boete wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.