Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Inleiding en procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
€ 1.500,- en op 8 november 2020 € 1.500,-. Eiseres heeft twee leenovereenkomsten overgelegd. Eén van deze leenovereenkomsten dateert van 6 juni 2020. Daarin staat dat [B] eiseres steunt met een lening, waarbij hij af en toe een bedrag overmaakt op de bankrekening van eiseres. Verder staat daarin vermeld dat hij de eerste keer heeft betaald op 16 juni 2020. In de andere leenovereenkomst, die ongedateerd is, staat dat [B] eiseres financiële ondersteuning biedt voor zover mogelijk in de vorm van één/meerdere geldlening(en) aan eiseres gedurende een bepaalde periode. Dit dient eiseres in termijnen terug te betalen wanneer dat voor haar mogelijk is.
juli 2020 intrekken. Niet gebleken is dat verweerder van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.
Nu verweerder op de hoogte was van het feit dat eiseres van zowel [A] als van [B] geld leende, valt niet in te zien dat eiseres de verplichting zo heeft kunnen begrijpen dat onder ‘derden’ niet ook (een lening van) [B] viel. Als daarover onduidelijkheid bestond bij eiseres had het op haar weg gelegen om daarover bij verweerder uitdrukkelijk navraag te doen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat eiseres dit heeft gedaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.518,-;
vergoedt.