Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopmedewerkster, meldde zich ziek na een auto-ongeval. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 2 januari 2018, omdat zij volgens een verzekeringsarts meer dan 65% arbeidsgeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkingen op psychisch vlak onvoldoende waren erkend. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die PTSS vaststelde en meer beperkingen dan eerder aangenomen. Het UWV paste daarop de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan, maar bleef bij de conclusie dat appellante geschikt was voor geselecteerde functies.
De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld en geacht niet tot benadeling te leiden. Het hoger beroep werd afgewezen, het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd vergoed.