ECLI:NL:CRVB:2022:973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na zelf ontslag nemen
Appellante was werkzaam als schuldhulpverlener en nam op 4 april 2019 zelf ontslag om als zelfstandige te gaan werken, mede vanwege privéomstandigheden en pesterijen op het werk. Het UWV stelde vast dat zij recht had op een WW-uitkering, maar weigerde deze uit te betalen wegens verwijtbare werkloosheid omdat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van haar kon worden gevergd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat haar verklaringen over pesterijen onvoldoende waren om voortzetting van het dienstverband onredelijk te achten. Ook vond de rechtbank dat het UWV voldoende feitenonderzoek had verricht en dat appellante niet voldeed aan haar verplichtingen onder artikel 24 WW Pro.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op advies van haar psycholoog ontslag nam vanwege een ongezonde werksituatie, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd en bevestigde de weigering van de WW-uitkering.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een dringende reden die ontslag rechtvaardigde en dat het niet nakomen van de verplichtingen uit de WW niet in overwegende mate aan appellante kon worden verweten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen zonder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.