ECLI:NL:CRVB:2022:991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame persoonlijke band met Nederland
Appellante kwam in maart 2019 vanuit Marokko naar Nederland voor gezinshereniging met haar partner en zoon, maar feitelijke gezinshereniging vond niet plaats. Zij vroeg kinderbijslag aan per 1 augustus 2019, welke door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen omdat zij op de peildata geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante op de peildata geen verblijfsvergunning, duurzame woonruimte of eigen inkomen had.
In hoger beroep herhaalde appellante dat zij wel een duurzame band had, met name vanwege haar intentie om in Nederland te blijven en voor haar Nederlandse kind te zorgen. De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak voor ingezetenschap een duurzame persoonlijke band vereist is, waarbij woonruimte, duur van verblijf en omstandigheden worden meegewogen.
De Raad concludeerde dat appellante op de peildata nog niet als ingezetene kon worden aangemerkt omdat zij kort in Nederland verbleef, geen duurzame woonruimte had en pas vanaf oktober 2019 een uitkering ontving. Haar intentie en zorg voor haar kind zijn niet voldoende om een duurzame band aan te nemen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van kinderbijslag wordt bevestigd.