ECLI:NL:CRVB:2019:2182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering kinderbijslag over tweede en derde kwartaal 2015 wegens onjuiste beoordeling ingezetenschap
Appellante, met Nederlandse nationaliteit, vertrok in september 2014 met haar kinderen naar Canada. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2015 omdat zij meende dat appellante niet meer als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. Appellante keerde in april 2016 terug naar Nederland en vroeg opnieuw kinderbijslag aan, welke werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante vanaf april 2015 tot juli 2016 niet als ingezetene kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een duurzame band met Nederland. Appellante stelde dat haar vertrek naar Canada tijdelijk was en dat zij altijd de intentie had om terug te keren.
De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat appellante Nederland definitief heeft verlaten in september 2014, waardoor de Svb haar beleid moest volgen dat iemand gedurende een jaar na vertrek nog als ingezetene wordt beschouwd. Omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar verblijf in Canada tijdelijk was, woonde zij vanaf september 2015 uitsluitend in Canada. Daarom kan de kinderbijslag niet worden geweigerd tot en met het derde kwartaal van 2015. Voor de periode daarna, tot en met het derde kwartaal van 2016, was appellante niet verzekerd omdat zij niet als ingezetene kon worden aangemerkt. De Raad vernietigt het besluit en de uitspraak voor zover zij betrekking hebben op het tweede en derde kwartaal van 2015 en draagt de Svb op een nieuwe beslissing te nemen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de weigering van kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2015 en bevestigt de weigering voor de latere periode.