Appellante vroeg bijzondere bijstand voor advocaatkosten en andere kosten, welke door het college werden afgewezen vanwege het ontbreken van financiële gegevens van haar halfbroer en beleid omtrent kosten die eerder dan twee maanden voor aanvraagdatum zijn gemaakt.
Na eerdere vernietiging van besluiten door de Raad, nam het college een nieuw besluit waarin de bijzondere bijstand voor advocaatkosten werd afgewezen. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit en voerde meerdere gronden aan, waarvan alleen de afwijzing van vergoeding van bezwaar kosten gegrond werd verklaard.
De Raad oordeelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim 21 maanden was overschreden, zowel in de bestuurlijke als rechterlijke fase. De overschrijding werd verdeeld tussen het college en de Staat, die elk € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding moeten betalen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de kosten van bezwaar en proceskosten van appellante en de Staat in proceskosten voor de vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de vergoeding van kosten van bezwaar betreft.