Uitspraak
21 1882 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was werkzaam als casinomedewerkster en meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten. Na een wachttijd werd haar een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2019 vond een herbeoordeling plaats op verzoek van de werkgever, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een lagere arbeidsongeschiktheid van 7,14% vaststelden, wat leidde tot beëindiging van de uitkering.
Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en de WIA-uitkering ongewijzigd voortzette. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren opgesteld en de beperkingen van betrokkene juist waren vastgesteld, mede op basis van psychische problematiek en behandeling.
In hoger beroep betoogde de werkgever dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat de beperkingen niet in stand konden blijven, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De arbeidsdeskundige had functies die in de primaire fase waren geselecteerd terecht laten vervallen vanwege overschrijding van werktijden en andere beperkingen, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 80 tot 100% werd vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene juist is vastgesteld op 80 tot 100%, waardoor de WIA-uitkering wordt voortgezet en het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen.