ECLI:NL:CRVB:2023:1257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming nevenwerkzaamheden als tolk binnen politie zonder verdere compensatie
Appellant, werkzaam bij de politie als tolk/vertaler, kreeg in 2014 toestemming voor nevenwerkzaamheden binnen de politieorganisatie. In 2020 besloot de korpschef deze toestemming in te trekken met een afbouwperiode van zes maanden, gebaseerd op een nationaal beleid dat nevenwerkzaamheden binnen de politie verbiedt om belangenverstrengeling en imagoschade te voorkomen.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de afbouwperiode niet evenredig was en dat het ontbreken van compensatie in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht. Na nadere motivering handhaafde de rechtbank het besluit, maar appellant ging in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat de korpschef bevoegd was tot herziening van de toestemming en dat het beleid niet in strijd was met de Ambtenarenwet 2017. Het verbod op nevenwerkzaamheden binnen de politie is gerechtvaardigd om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Het recht op vrije arbeidskeuze werd niet beperkt omdat appellant nevenwerkzaamheden buiten de politie mag verrichten.
De Raad verwierp het beroep op het evenredigheidsbeginsel, oordeelde dat de afbouwperiode passend was en dat de financiële gevolgen voor appellant niet onredelijk waren. Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee de intrekking van de toestemming en het ontbreken van verdere compensatie standhouden.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor nevenwerkzaamheden als tolk binnen de politie wordt bevestigd zonder verdere compensatie.