ECLI:NL:CRVB:2023:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget wegens schending verplichtingen
Appellante, geïndiceerd voor langdurige zorg, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2018 en 2019. Het zorgkantoor ontving een anonieme melding dat een zorgverlener langdurig in het buitenland verbleef en geen zorg verleende. Na onderzoek concludeerde het zorgkantoor dat appellante de verplichtingen schond door pgb-gelden niet via de Sociale Verzekeringsbank aan zorgverleners te laten betalen, maar op een eigen bankrekening beheerd door haar moeder.
Het zorgkantoor trok het pgb per 1 januari 2018 in en vorderde € 27.850,- terug als onverschuldigd betaald. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zorg ontving van haar moeder en de zorgverlener en dat de terugvordering gematigd moest worden vanwege de tijdsverloop tussen melding en onderzoek.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor terecht het pgb introk vanwege schending van artikel 5.18 Rlz en dat de belangenafweging van het zorgkantoor niet leidde tot een onevenredige uitkomst. Het risico van onjuiste besteding ligt bij appellante, ook al wordt zij ondersteund door gewaarborgde hulp. De Raad bevestigde de uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het pgb en de terugvordering van € 27.850,- wegens schending van verplichtingen.