ECLI:NL:CRVB:2023:1334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep UWV tegen oordeel rechtbank over inschakeling verzekeringsarts en re-integratie-inspanningen
Werkneemster viel op 15 juni 2018 uit wegens lichamelijke klachten en vroeg op 23 maart 2020 een WIA-uitkering aan. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsperiode wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever met 52 weken. De werkgever maakte bezwaar, dat door het UWV ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat het UWV ten onrechte geen verzekeringsarts had ingeschakeld bij de beoordeling van het re-integratieverslag, wat volgens de Werkwijzer Poortwachter verplicht was bij medische urenbeperkingen of perioden zonder re-integratiemogelijkheden. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep stelde het UWV dat er geen verschil van inzicht bestond met de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werkneemster en dat inschakeling van de verzekeringsarts daarom niet noodzakelijk was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit standpunt, oordeelde dat het zwaartepunt van de beoordeling bij de arbeidsdeskundige ligt en dat inschakeling van een verzekeringsarts alleen nodig is bij verschil van inzicht.
De Raad stelde vast dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgingen van de door de bedrijfsarts vastgestelde functionele mogelijkheden en concludeerden dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Dit werd door de werkgever niet bestreden. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 juli 2023.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit ongegrond verklaard.