ECLI:NL:CRVB:2023:1336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering Wajong-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellant, geboren in 1986, had van 8 februari 2017 tot en met 31 oktober 2017 geen rechtmatig verblijf in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel, die eerder was ingetrokken. Desondanks werd hem een Wajong-uitkering toegekend, welke later door het UWV werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de uitkering ongegrond en het hoger beroep richtte zich op de vraag of appellant rechtmatig verblijf had, mede gelet op een ingediende Chavez-aanvraag en zijn situatie met minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De Raad oordeelde dat appellant geen rechtmatig verblijf had in de periode in geding en dat het UWV niet verplicht was ambtshalve verder onderzoek te doen naar een Chavez-verblijfsrecht.
Verder werd geoordeeld dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat hij geen recht had op de uitkering en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.