ECLI:NL:CRVB:2023:1400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek regularisatie-overeenkomsten AOW 2011-2012
Appellant, werkzaam op binnenschepen en verloond via een Luxemburgs bedrijf, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om mee te werken aan regularisatie-overeenkomsten over 2011 en 2012. De Svb weigerde dit in 2015 en handhaafde deze weigering bij een besluit in 2021. Appellant stelde dat de Svb onterecht niet meewerkte, onder verwijzing naar eerdere meewerkingen en unierechtelijke aanwijsregels.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad overwoog dat de Svb bevoegd was het eerdere besluit te handhaven omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals vereist in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vond geen aanwijzingen dat het besluit evident onredelijk was of onmiskenbaar onjuist.
Appellant verzocht om heropening van het onderzoek, wat werd afgewezen omdat de zitting correct was verlopen en geen nieuwe relevante feiten waren ingebracht. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellant een nieuw verzoek kan indienen zodra lopende fiscale procedures zijn afgerond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het herzieningsverzoek van appellant wegens gebrek aan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.