ECLI:NL:CRVB:2020:1244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering regularisatie socialezekerheidswetgeving over 2011 en 2012
Appellant verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten zodat de Luxemburgse socialeverzekeringswetgeving op hem van toepassing zou blijven over de jaren 2010 tot en met 2012. De Svb verklaarde dat vanaf 1 januari 2011 geen regularisatie meer mogelijk was omdat de Nederlandse wetgeving van toepassing was en er premies niet waren afgedragen.
Appellant vroeg later terug te komen op deze weigering en een besluit te nemen over regularisatie voor 2012. De Svb nam het verzoek over 2012 in behandeling als een eerste verzoek, maar wees het af omdat er nog een fiscale procedure liep over de premieaanslag 2012. Over 2011 werd geweigerd terug te komen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de Svb een discretionaire bevoegdheid heeft om regularisatie te weigeren zolang fiscale procedures lopen en dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of onredelijkheid. Ook was geen sprake van opgewekt vertrouwen dat tot regularisatie zou worden overgegaan.
De Raad benadrukte dat recente rechtspraak mogelijk tot een andere benadering kan leiden, maar dat een terughoudende rechterlijke toetsing passend is bij deze complexe problematiek. De Svb handhaaft zijn vaste gedragslijn en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Sociale Verzekeringsbank tot regularisatie over 2011 en 2012 en verklaart het beroep ongegrond.