Uitspraak
21 2830 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene is sinds 15 augustus 2016 arbeidsongeschikt voor zijn functie als application engineer. Het UWV kende hem in 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2019 vroeg appellante een herbeoordeling aan met het standpunt dat betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering. Het UWV stelde echter vast dat de arbeidsongeschiktheid weliswaar volledig was (86,47%), maar niet duurzaam, en weigerde de IVA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling voldoende was gemotiveerd en behandelmogelijkheden bestonden die tot verbetering konden leiden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat betrokkene sinds 2017 geen specialisten meer bezocht en dat de medische onderbouwing onvoldoende was, met name over de mogelijke effecten van een knieprothese.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is in de zin van de Wet WIA. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat herstelkansen bestaan, onder meer door cognitieve gedragstherapie, knieprothese en revalidatie. Het argument van appellante over de knieprothese is onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de IVA-uitkering wordt bevestigd.