ECLI:NL:CRVB:2023:1434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing NOW-3 subsidieaanvragen wegens ontbreken loonaangifte in referentiemaanden
Appellante diende aanvragen in voor tegemoetkoming in loonkosten op grond van de NOW-3 regeling voor verschillende tranches, waarbij zij een verwacht omzetverlies had opgegeven. De minister wees de aanvragen af omdat appellante in de referentiemaanden juni en april 2020 geen loonkosten had opgegeven, wat een vereiste is voor toekenning van subsidie.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat de referentiemaand juni 2020 niet passend was omdat de werknemers pas later in dienst waren getreden. Zij stelde dat maatwerk en afwijking van de regeling op grond van bijzondere omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel noodzakelijk waren. De minister handhaafde de besluiten, stellende dat de regeling geen ruimte biedt voor afwijking en dat geen loonaangifte in de referentiemaanden betekent dat geen subsidie kan worden toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de minister de regeling terecht strikt toepast en dat het evenredigheidsbeginsel niet leidt tot afwijking. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, benadrukt de dwingende bepalingen in de NOW-3 regeling en wijst het beroep van appellante af. De Raad overweegt dat de minister ruime beleidsvrijheid heeft en dat het ontbreken van een hardheidsclausule in de regeling betekent dat geen maatwerk kan worden toegepast.
De Raad concludeert dat het beroep op willekeur faalt omdat latere NOW-regelingen bewust geen regeling voor seizoensarbeid bevatten en dat de persoonlijke situatie van appellante geen aanleiding geeft tot afwijking van de regeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de NOW-3 subsidieaanvragen wegens ontbreken van loonkosten in de referentiemaanden.