ECLI:NL:CRVB:2023:1486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Zorgkantoor mocht pgb 2018 lager vaststellen en terugvorderen wegens niet geleverde zorg en niet tijdige wijziging
Appellant ontving voor 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor zorg geleverd door een zorgverlener. Na afloop van het jaar stelde het zorgkantoor het pgb lager vast dan het bedrag dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) had uitbetaald, omdat de afgesproken zorg niet volledig was geleverd en appellant niet tijdig wijzigingen in de zorgovereenkomst had doorgegeven.
Het zorgkantoor vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij de wijziging telefonisch had doorgegeven en dat het zorgkantoor had moeten weten dat er dubbel werd betaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Appellant had niet voldaan aan de verplichtingen uit de Regeling langdurige zorg, waaronder het onverwijld aanpassen van de zorgovereenkomst. De belangenafweging toonde geen onevenredige gevolgen voor appellant. De terugvordering werd daarom gerechtvaardigd verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor het pgb lager mocht vaststellen en het teveel betaalde bedrag mocht terugvorderen.