ECLI:NL:CRVB:2023:1492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling medische beperkingen en benutbare mogelijkheden
Appellante, voormalig HR-adviseur, meldde zich ziek op 22 november 2017 vanwege gezondheidsklachten. Het UWV kende haar per 4 april 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,59%, later bij bezwaar vastgesteld op 49,44%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd waarom geen fysiek spreekuurcontact noodzakelijk was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name vanwege het ontbreken van een fysiek onderzoek en betwistte zij de oorzaak van haar PTSS en depressieve stoornis. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek, ook via telefonische en beeldverbindingen, zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts inzichtelijk had gemotiveerd waarom een fysiek onderzoek niet noodzakelijk was, mede gelet op eerdere fysieke onderzoeken en beschikbare medische informatie.
Verder stelde appellante dat zij geen benutbare mogelijkheden had, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep had gemotiveerd dat geen sprake was van een totaal onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de vastgestelde functionele beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering van 49,44% arbeidsongeschiktheid bevestigd.