ECLI:NL:CRVB:2023:158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, voormalig verkoopmedewerker, meldde zich ziek wegens zwangerschapsklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde na een eerstejaars beoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar uitkering per 17 augustus 2020.
Appellante voerde bezwaar aan tegen dit besluit, stellende dat het onderzoek niet zorgvuldig was omdat zij in de primaire fase niet door een geregistreerde verzekeringsarts was gezien en dat haar beperkingen onderschat waren, met name vanwege een depressieve stoornis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was verricht.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek door een arts, getoetst door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, voldoende zorgvuldig was. De Raad oordeelde dat het tijdsverloop tussen de datum in geding en het spreekuurcontact niet leidde tot een onjuist beeld van de medische situatie. De stellingen van appellante over een preventieve urenbeperking werden onvoldoende onderbouwd.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische en arbeidskundige rapporten een voldoende grondslag boden voor het besluit van het Uwv. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.