Verzoeker, woonachtig in België, stelde een verzoek in tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De procedure betrof een bestuursrechtelijke zaak waarbij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een besluit nam waarop bezwaar werd gemaakt.
De Raad stelde vast dat de totale duur van de procedure meer dan vier jaar bedroeg, waarbij de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden duurde en de overschrijding van de redelijke termijn zich uitsluitend voordeed in de rechterlijke fase. Omdat de overschrijding minder dan zes maanden bedroeg, werd een vergoeding van €500 toegekend.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, begroot op €418,50, voor de verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 augustus 2023.