ECLI:NL:CRVB:2023:1613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
22/234 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 onder b AOWArt. 17a lid 1 en 2 AOWArt. 3:2 AwbArt. 7:12 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en matiging terugvordering ouderdomspensioen wegens inconsistent beleid Sociale Verzekeringsbank

Appellante ontving vanaf december 2013 een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde en trouwde in 2018. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) ontving in augustus 2018 een melding van het huwelijk, maar ondernam pas actie na telefonisch contact in juli 2019. Vervolgens werd het pensioen herzien en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb de vaste gedragslijn inconsistent heeft toegepast. Hoewel appellante redelijkerwijs had moeten onderkennen dat zij ten onrechte een ongehuwdenpensioen ontving, is de herziening en terugvordering gematigd vanwege het verwijt aan de Svb.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en beperkt de herziening over de periode van 1 juli 2019 tot 1 december 2019, waardoor de terugvordering wordt vastgesteld op € 4.220,94. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen wordt vernietigd en de terugvordering gematigd tot € 4.220,94.

Uitspraak

22/234 AOW
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2021, 21/3491 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.J. van Riessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Riessen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. N. Diamant.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Appellante ontving een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Zij is op [datum] 2018 getrouwd. Pas bij besluit van 3 januari 2020 en naar aanleiding van telefonisch contact door appellante is het ouderdomspensioen van appellante door de Svb herzien naar een pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde en het te veel betaalde pensioen teruggevorderd. Appellante heeft redelijkerwijs moeten onderkennen dat zij ten onrechte in de periode in geding een ongehuwdenpensioen ontving. Wel dienen op grond van de ten tijde van het bestreden besluit geldende vaste gedragslijn de herziening en terugvordering gematigd te worden omdat de Svb een verwijt kan worden gemaakt. De Raad kan zich vinden in de door de Svb ter zitting voorgestelde matiging.

Inleiding

1.1.
Appellante heeft vanaf december 2013 een ouderdomspensioen op grond van de AOW ontvangen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.
1.2.
Appellante is op [in] 2018 getrouwd met de heer [naam echtgenoot] (echtgenoot). De echtgenoot is eind 2022 overleden.
1.3.
Op 24 augustus 2018 heeft de Svb een systeemmelding van de gemeente ontvangen dat appellante op [in] 2018 is getrouwd. Op 12 juli 2019 heeft appellante met de Svb gebeld. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb vastgesteld dat tot juli 2019 niets is gedaan met de systeemmelding. Appellante heeft op 6 augustus 2019 bij de Svb een formulier met gegevens over haar woonsituatie ingediend.
1.4.
In een besluit van 3 januari 2020 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 september 2018 herzien naar een pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde en van appellante het over de periode van september 2018 tot en met december 2019 te veel aan haar betaalde ouderdomspensioen van € 6.220,94 teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 9 juli 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 januari 2020 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is overwogen dat appellante vanaf 1 september 2018 recht heeft op een pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde, omdat zij gehuwd is en zij niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Volgens de Svb is er geen sprake an dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Appellante valt anders dan ongehuwden niet onder de zogeheten twee-woningenregel. De rechtbank vindt dat appellante hierdoor niet is gediscrimineerd. Ook is geoordeeld dat de Svb het ouderdomspensioen terecht met volledige terugwerkende kracht heeft herzien. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet, omdat er geen bewijs is dat een medewerker van de Svb zou hebben toegezegd dat het sluiten van het huwelijk geen gevolgen heeft voor het ouderdomspensioen. Uit het lange stilzitten van de Svb mocht appellante niet afleiden dat de Svb van herziening zou afzien. Aan de herziening doet volgens de rechtbank niet af dat de Svb een fout heeft gemaakt doordat tot juli 2019 niets met de systeemmelding van 24 augustus 2018 is gedaan, omdat appellante de fout had kunnen onderkennen. Het kon appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat het huwelijk van invloed is op het ouderdomspensioen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het ouderdomspensioen ten onrechte met terugwerkende kracht is herzien naar een pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde en ten onrechte is teruggevorderd. Appellante vindt dat gehuwde nietsamenwonenden zonder goede reden worden benadeeld ten opzichte van ongehuwde niet-samenwonenden. Volgens appellante is de herziening in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat haar van de zijde van de Svb is toegezegd dat het huwelijk geen gevolgen zou hebben voor (de hoogte van) het ouderdomspensioen. Ook vindt appellante dat de herziening te wijten is aan een fout van de Svb, omdat de Svb geen actie heeft ondernomen op de ontvangen systeemmelding en appellante deze fout niet heeft kunnen onderkennen. Verder stelt appellante dat er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het ouderdomspensioen van appellante per september 2018 te herzien en een bedrag van € 6.220,94 terug te vorderen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Geen sprake van duurzaam gescheiden leven
4.2.
Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat in de periode van september 2018 tot en met juni 2019 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Appellante heeft in dit verband wel een beroep gedaan op beleidsregel SB1008. De Raad gaat hier aan voorbij omdat de versie waar appellante zich op beroept niet meer van toepassing is en bovendien betrekking had op ongehuwde pensioengerechtigden. Nu er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven heeft de Svb zich dus terecht op het standpunt gesteld dat appellante recht heeft op een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde.
Geen verboden ongelijke behandeling van gehuwden ten opzichte van ongehuwden
4.3.
Appellante heeft gesteld dat gehuwden die niet samenwonen zonder goede reden worden benadeeld ten opzichte van ongehuwden. De Raad begrijpt dat appellante heeft bedoeld te betogen dat sprake is van verboden ongelijke behandeling tussen gehuwde pensioengerechtigden die ieder een eigen woning hebben en ongehuwde pensioengerechtigden (met een relatie) die ieder een eigen woning hebben. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 14 februari 2017 [1] in het kader van de twee-woningenregel. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat verschillende behandeling van gehuwden en ongehuwden gerechtvaardigd is omdat de situatie van ongehuwd samenwonenden niet gelijk is aan die van gehuwden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft.
Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel
4.4.
Appellante heeft gesteld dat zij op 26 november 2018 telefonisch contact heeft gehad met de Svb en dat de betreffende medewerker haar heeft meegedeeld dat het huwelijk geen gevolgen heeft voor de hoogte van haar ouderdomspensioen. De Svb betwist niet dat er telefonisch contact is geweest maar bestrijdt wel het standpunt dat er een toezegging is gedaan dat haar huwelijk geen gevolgen zou hebben.
4.5.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2]
4.6.
De Svb heeft onderzoek gedaan naar het telefonisch contact dat volgens appellante zou hebben plaatsgevonden. Daarbij heeft de Svb niet kunnen vaststellen dat de gestelde uitlating daadwerkelijk door een medewerker van de Svb is gedaan. Appellante heeft daarvan geen bewijs overgelegd. Het feit dat appellante een aantekening van het telefoongesprek heeft gemaakt, is onvoldoende bewijs. Niet aannemelijk is dat van de zijde van de Svb is toegezegd dat het huwelijk geen gevolgen zou hebben voor de hoogte van het ouderdomspensioen. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Herziening en terugvordering
4.7.
Appellante heeft gesteld dat de Svb een verwijt kan worden gemaakt en dit gevolgen dient te hebben voor de herziening en terugvordering van haar ouderdomspensioen.
4.8.
Uit artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW volgt dat de Svb gehouden is een uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a, eerste lid, van de AOW is volgens de wetsgeschiedenis, dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat ook aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht dat ten tijde van het bestreden besluit gold als vaste gedragslijn en dat thans is neergelegd in beleidsregel SB1078. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Appellante heeft redelijkerwijs moeten onderkennen dat zij ten onrechte in de periode in geding een ongehuwdenpensioen ontving. Onder meer is appellante hier op gewezen in het toekenningsbesluit en ook heeft zij zelf aangegeven dit uit haar omgeving te hebben vernomen. Zoals hiervoor onder 4.6 overwogen heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een toezegging door de Svb op grond waarvan zij er vanuit kon gaat dat zij wel recht had op een ongehuwdenpensioen.
4.9.
De Svb kan volgens zijn vaste gedragslijn de herziening ook matigen. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid wordt onder andere waarde gehecht aan de mate waarin aan de belanghebbende en aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt. Ter zitting heeft de Svb toegelicht aanknopingspunten te zien om gedeeltelijk van herziening af te zien omdat de Svb ook een verwijt treft. De systeemmelding dat appellante gehuwd is, is niet opgepakt. Dit is pas gebeurd na telefonisch contact van appellante met de Svb in juli 2019 en hierover is op 3 januari 2020 een besluit genomen. De Svb heeft ter zitting een matiging voorgesteld van € 2.000,- waardoor over de periode van juli 2019 tot december 2019 materieel geen herziening en terugvordering plaatsvindt. De Raad kan zich vinden in de voorgestelde matiging gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden. Naar het oordeel van de Raad wordt met deze voorgestelde matiging voldoende rekening gehouden met alle gebleken feiten en omstandigheden van het geval en past een dergelijke matiging binnen de vaste gedragslijn van de Svb, neerkomend op toepassing van het “oude” 3:4-beleid.
4.10.
De Raad gaat na of er dringende redenen zijn die aanleiding geven om verder van de herziening en terugvordering af te zien dan de Svb heeft voorgesteld, namelijk door de herziening te beperken zoals onder 4.9 weergegeven. Op grond van artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Svb geheel of gedeeltelijk afzien van de herziening als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen alleen gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herzieningsbesluit voor de betrokkene heeft. [3] De door appellante aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen op grond waarvan de Svb de herziening meer zou moeten matigen dan hiervoor onder 4.9 is weergegeven. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het resterende teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Nu de Svb bij het bestreden besluit zijn vaste gedragslijn niet consistent heeft toegepast, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad baseert de vernietiging van het bestreden besluit op artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de Svb ter zitting een voorstel heeft gedaan tot matiging dat wel in overeenstemming is met deze vaste gedragslijn en ook overigens niet op bedenkingen stuit, acht de Raad zich in staat, in lijn met dit voorstel zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal de herziening beperken in die zin dat niet wordt herzien over de periode van 1 juli 2019 tot 1 december 2019 en dat de terugvordering wordt beperkt tot € 4.220,94.
5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.674,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.674,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 3.348,-. Appellante krijgt een vergoeding van de Svb voor de betaalde griffierechten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2020 gegrond;
  • vernietigt het besluit van 9 juli 2020 in die zin dat het AOW-pensioen niet wordt herzien over de periode van 1 juli 2019 tot 1 december 2019 en dat de terugvordering wordt bepaald op € 4.220,94;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 9 juli 2020;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.348,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L.C. van Bentum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Voetnoten

2.CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
3.CRvB 3 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1333.