Appellante diende een laattijdige aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens diverse chronische aandoeningen, waaronder Ehlers Danlos, fibromyalgie en chronische hoofdpijn. Het UWV wees de aanvraag af op grond van het oordeel dat zij arbeidsvermogen heeft, wat werd bevestigd in bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een ernstige aandoening die volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. Het rapport van het Expertise Instituut, overgelegd door appellante, gaf aan dat zij weliswaar niet elke dag volledig belastbaar is, maar gemiddeld wel vier uur per dag kan werken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. De Raad acht het verzuimrisico van ongeveer 25% acceptabel binnen de toepasselijke rechtspraak en ziet geen reden voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.