ECLI:NL:CRVB:2023:1694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herhaalde aanvraag nabestaandenuitkering ANW terecht afgewezen wegens ontbreken nieuwe feiten en ingezetenschap
Appellante heeft meerdere keren een aanvraag gedaan voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) nadat haar echtgenoot in 2004 overleed. Alle aanvragen, waaronder de herhaalde aanvraag van december 2020, zijn door de Sociale verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat de echtgenoot op de dag van overlijden niet als ingezetene van Nederland werd aangemerkt en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven het eerdere besluit van 26 april 2005 te herzien.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Appellante stelde dat het eerdere besluit onmiskenbaar onjuist was en dat haar echtgenoot wel degelijk verzekerd was omdat hij in Nederland woonde. De Raad toetste dit standpunt en concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor een duurzame band met Nederland na 1998. De verklaringen van familieleden waren onvoldoende nauwkeurig en objectief verifieerbaar.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht het eerdere besluit handhaafde en dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag niet evident onredelijk was. Ook was er geen verplichting voor de Svb om de echtgenoot te wijzen op vrijwillige verzekering. Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De herhaalde aanvraag om een nabestaandenuitkering wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.