ECLI:NL:CRVB:2023:1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs beperkingen
Appellant, geboren in 1976, vroeg op 30 december 2019 een Wajong-uitkering aan vanwege chronische PTSS-klachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag op 6 april 2020 af wegens laattijdigheid. Appellant maakte bezwaar, maar het Uwv handhaafde de afwijzing op 4 december 2020. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de aanvraag beoordeeld moest worden op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat appellant de aanvraag na 1 januari 2010, maar voor 19 december 2020 had ingediend.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde vast dat onvoldoende medische informatie beschikbaar was om de beperkingen van appellant tussen zijn 18e en 23e levensjaar vast te stellen. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen tijdens zijn studie waren ontstaan en dat de aanvraag daarom niet volgens de AAW beoordeeld moest worden. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het aannemelijk was dat beperkingen al op 17-jarige leeftijd bestonden, maar dat de mate daarvan niet meer objectief kon worden vastgesteld vanwege het tijdsverloop.
De Raad benadrukte dat het bestaan van beperkingen alleen niet voldoende is; de ernst en de mate van arbeidsongeschiktheid moeten duidelijk zijn om aanspraak te maken op een Wajong-uitkering. Omdat het Uwv dit niet kon vaststellen en de bewijslast bij appellant ligt, werd het hoger beroep afgewezen. De afwijzing van de Wajong-aanvraag blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens laattijdigheid en onvoldoende bewijs van beperkingen.