ECLI:NL:CRVB:2023:1711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante ontving tussen 2015 en 2019 diverse WW- en ZW-uitkeringen aangevuld met toeslagen. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen omdat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met haar zoons, vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
Het UWV trok de uitkeringen en toeslagen in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen, en wees het beroep tegen het tweede besluit af. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de verklaringen van (ex-)werknemers onvolledig en onjuist waren.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig en toereikend onderzoek had verricht, waarbij getuigenverklaringen en andere gegevens voldoende aannemelijk maakten dat geen dienstbetrekking bestond. De door appellante overgelegde verklaringen boden geen nieuw of overtuigend tegenbewijs. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de intrekking, beëindiging en terugvordering van de uitkeringen en toeslagen.
Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 augustus 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet verzekerd was voor werknemersverzekeringen en handhaaft de intrekking en terugvordering van uitkeringen.