Appellant, een beroepsmilitair, werd ontslagen wegens wangedrag omdat hij op een bepaalde dag in 2015 5 gram cocaïne in een door hem gehuurde auto zou hebben gehad. De staatssecretaris van Defensie nam dit besluit na ontvangst van justitiële gegevens en na bezwaar en beroep van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zich schuldig had gemaakt aan wangedrag. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat uit de beschikbare gegevens onvoldoende overtuiging kan worden verkregen dat appellant de cocaïne daadwerkelijk voorhanden had. De auto was gehuurd en werd ook door anderen gebruikt, en appellant ontkende kennis van de cocaïne.
De Raad vernietigde daarom het ontslagbesluit en het bestreden besluit van de staatssecretaris. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de langere duur gerechtvaardigd was door het afwachten van strafrechtelijke procedures.
De Raad bepaalde dat appellant een vergoeding van €3.705,- voor proceskosten ontvangt en het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee houdt het ontslag wegens wangedrag geen stand en wordt de procedure in het voordeel van appellant beslist.