ECLI:NL:CRVB:2023:1757

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
21/3457 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 TWArt. 11 Wet algemene bepalingenArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging toeslag op WGA-uitkering wegens leeftijd kind en geboortejaar partner

Appellant ontving een toeslag op zijn WGA-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW), bedoeld ter aanvulling tot het sociaal minimum. Het Uwv beëindigde deze toeslag per 26 november 2020 omdat het jongste kind van appellant die dag 12 jaar werd en zijn partner na 31 december 1971 is geboren, conform artikel 3 van Pro de TW.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de toepassing van artikel 3 TW Pro terecht was, ondanks de omstandigheid dat de partner van appellant niet kan werken. De wetgever heeft immers bewust gekozen voor deze regeling, ook al kan dit leiden tot onevenwichtige effecten.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de toepassing van artikel 3 TW Pro in zijn situatie disproportionele gevolgen heeft, mede vanwege de medische situatie van zijn partner en verwees naar de Toeslagenaffaire. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat artikel 3 TW Pro formele wetgeving is en niet getoetst kan worden aan het evenredigheidsbeginsel vanwege het toetsingsverbod in de Grondwet.

De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van artikel 3 TW Pro rechtvaardigen en bevestigde de beëindiging van de toeslag. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De toeslag op de WGA-uitkering van appellant wordt terecht beëindigd op grond van artikel 3 van de Toeslagenwet.

Uitspraak

21 3457 TW

Datum uitspraak: 20 september 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 augustus 2021, 21/2348 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2023. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker/afwasser voor 38 uur per week. Met ingang van 1 maart 2006 heeft hij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft appellant per 15 april 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft appellant ingaande 15 april 2008 een toeslag op zijn WGA-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend, waarmee zijn uitkering is aangevuld tot het sociaal minimum voor zijn leefvorm als gehuwde/samenwonende. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant per 15 februari 2011 een
WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 1 oktober 2020 heeft het Uwv de toeslag van appellant ingaande 26 november 2020 beëindigd, omdat zijn jongste kind op deze datum 12 jaar geworden is en zijn partner is geboren na 31 december 1971. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 maart 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de partner van appellant is geboren na 31 december 1971 en dat tot zijn huishouden geen eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar, zodat hij op grond van artikel 3 van Pro de TW niet langer recht op toeslag heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gestelde omstandigheid dat de partner van appellant niet kan werken, niet een zodanige omstandigheid oplevert dat de toepassing van artikel 3 van Pro de TW achterwege moet blijven. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat arbeidsparticipatie van beide samenwonende of gehuwde partners het uitgangspunt is geweest bij de invoering van artikel 3 van Pro de TW. De wetgever heeft uitdrukkelijk onderkend dat invoering van dit artikel onevenwichtige effecten kan hebben door het verschil in uitkeringsrechten voor alleenstaanden enerzijds en gehuwde partners zonder een kind jonger dan 12 jaar anderzijds, in situaties dat de individuele loondervingsuitkering onder het relevante sociaal minimum ligt. Verder heeft de wetgever onderkend dat het materiële effect kan zijn dat partners een beroep op de bijstand moeten doen wanneer de individuele loondervingsuitkering onder het sociaal minimum ligt (Kamerstukken I, 1986-1987, 19257, nr. 21, blz. 15-16). De rechtbank heeft overwogen dat de wetgever ondanks deze onevenwichtige effecten ervoor heeft gekozen artikel 3 van Pro de TW in deze vorm in te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van disproportionele gevolgen voor appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat artikel 3 van Pro de TW buiten toepassing moet worden gelaten omdat het doel van de “1990-maatregel”, dat hierin tot uitdrukking is gebracht, niet bereikt kan worden in zijn situatie. Zijn echtgenote is om medische redenen niet in staat om deel te nemen aan het arbeidsproces en kan daarom niet verantwoordelijk gehouden worden voor haar eigen inkomensvoorziening. Onder verwijzing naar de Toeslagenaffaire heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 3 van Pro de TW in zijn geval leidt tot disproportionele gevolgen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 3 van Pro de TW heeft een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 vanaf 1990 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar.
4.2.1.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat geen aanleiding bestaat om toepassing van artikel 3 van Pro de TW achterwege te laten. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, wordt hieraan het volgende toegevoegd.
4.2.2.
De 1990-maatregel is dwingendrechtelijk neergelegd in artikel 3 van Pro de TW, zijnde een bepaling van formele wetgeving. Artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet staan bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling in de weg aan toetsing van artikel 3 van Pro de TW aan het evenredigheidsbeginsel. Aanleiding voor zogenoemde contra legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel is niet aanwezig. De essentie van artikel 3 van Pro de TW is dat de betrokkene wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 en tot wiens huishouden geen kind behoort dat jonger is dan 12 jaar, geen recht op toeslag heeft. Die essentie kan de wetgever niet zijn ontgaan. Verder blijkt uit de door de rechtbank geschetste wetsgeschiedenis dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat, wanneer de individuele loondervingsuitkering onder het sociaal minimum ligt, het materiële effect van artikel 3 van Pro de TW is dat geen recht op toeslag bestaat en partners een beroep op de bijstand moeten doen. Van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever is dan ook niet gebleken. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan de vraag of toepassing van artikel 3 van Pro de TW zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege zou moeten blijven.
4.3.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en C. Karman en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.G. van Straalen