ECLI:NL:CRVB:2023:1822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke vergoeding huur- en inrichtingskosten op grond van artikel 53 Barp
Appellante, gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard vanwege een door haar werk veroorzaakte PTSS, verzocht om vergoeding van huur- en inrichtingskosten na een op medisch advies noodzakelijke tijdelijke verhuizing. De korpschef wees het verzoek aanvankelijk af, maar verleende na bezwaar een tegemoetkoming van de helft van de gevraagde kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat haar financiële situatie en de aard van haar ziekte een volledige vergoeding rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat artikel 53 Barp Pro een discretionaire bevoegdheid aan de korpschef geeft om een individuele afweging te maken, waarbij ook de financiële draagkracht van de ambtenaar meeweegt. De korpschef had deze afweging zorgvuldig gemaakt en mocht volstaan met een gedeeltelijke vergoeding. Bovendien was onvoldoende onderbouwd dat appellante meer kosten had gemaakt dan vergoed.
De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt. De vergoeding van € 6.690,16 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de gedeeltelijke vergoeding van huur- en inrichtingskosten door de korpschef en wijst het hoger beroep af.