ECLI:NL:CRVB:2023:1862

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
21/3263 MPW-W-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in hoger beroep ambtenarenrecht

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een zaak tegen de minister van Defensie. Tijdens de procedure heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen een van de behandelend rechters, Y. Sneevliet, vanwege zorgen over diens objectiviteit en onpartijdigheid.

Dit wrakingsverzoek is gebaseerd op het feit dat verzoeker deze rechter vier jaar eerder ook al had proberen te wraken in een andere zaak, waarin het wrakingsverzoek destijds niet-ontvankelijk werd verklaard wegens tijdsoverschrijding. Verzoeker heeft nadere stukken over die eerdere wraking overgelegd.

De Raad heeft overwogen dat een wrakingsgrond moet berusten op feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het enkele feit dat de rechter eerder betrokken was bij een andere procedure met verzoeker en dat verzoeker toen bezwaren had, is onvoldoende om die uitzonderlijke omstandigheid aan te nemen.

Verzoeker heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de schijn van vooringenomenheid kunnen wekken. Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter is afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten die vooringenomenheid aantonen.

Uitspraak

21/3263 MPW-W-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 25 september 2023
Zitting hebben: E. Dijt, als voorzitter en K.P.M. Jacobs en J.J. Janssen als leden.
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2021, 20/760, in de gedingen tussen verzoeker en de minister van Defensie.
1.2. Op 11 september 2023 zijn kennisgevingen aan partijen verzonden voor een op 27 september 2023, om 11.45 uur, te houden zitting. De behandelend rechters zijn J.J.T. van den Corput, Y. Sneevliet en L.M. Tobé (behandelend rechters).
1.3. Per e-mail van 12 september 2023 heeft verzoeker gevraagd om wraking van mr. Y. Sneevliet (behandelend rechter). De behandelend rechter heeft meegedeeld dat zij niet in het verzoek om wraking berust.
1.4. Verzoeker en behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 25 september 2023. Verzoeker en behandelend rechter zijn niet verschenen.
2.1. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek als grond naar voren gebracht dat hij zorgen heeft over de objectiviteit en onpartijdigheid van behandelend rechter. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat hij behandelend rechter vier jaar geleden in een andere zaak heeft gewraakt. Dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend. Desondanks zijn de zorgen bij verzoeker blijven bestaan.
2.2. Bij e-mail van 20 september 2023 heeft verzoeker nadere stukken gezonden aan de Raad, waaronder zijn wrakingsverzoek van 30 december 2019 en de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2020. Uit deze stukken blijkt dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken was bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland en dat verzoeker op diverse punten bezwaren had over de wijze waarop zij die zaak behandelde.
3.1. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2. Dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken is geweest bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland, dat verzoeker bezwaren had tegen de wijze waarop zij die zaak behandelde en om die reden destijds een wrakingsverzoek heeft ingediend, leidt niet tot de conclusie dat in de zaak die nu aan de orde is een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid aan de orde is. Verzoeker heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van behandelend rechter kan worden afgeleid.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) E. Dijt
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep