ECLI:NL:CRVB:2023:1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2017 ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe omdat hij minder dan 65% van zijn loon kon verdienen. Na een WIA-beoordeling in 2019 werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop een WIA-uitkering werd geweigerd. In 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek, maar een verzekeringsarts concludeerde dat hij geschikt was voor zijn eigen werk, waarna het UWV de ZW-uitkering per 16 februari 2021 beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat er geen medische verslechtering was en de belastbaarheid ongewijzigd bleef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren toegenomen en overwoog vermoeidheid door depressieve klachten, maar onderbouwde dit niet met nieuwe medische gegevens. De Raad oordeelde dat de aangeleverde informatie van de neuroloog reeds bekend was en niet leidde tot een andere beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk en dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk.