ECLI:NL:CRVB:2023:1897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
22/337 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet langdurige zorgRegeling langdurige zorg
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering goedkeuring zorgovereenkomst onder Wet langdurige zorg

Betrokkene beschikte vanaf december 2017 over een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en ontving jaarlijks een persoonsgebonden budget via het zorgkantoor. Appellante, dochter en gewaarborgde hulp van betrokkene, diende in juli en augustus 2020 een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving in bij het zorgkantoor. Na verzoek om toelichting en mogelijkheid tot aanpassing ontving het zorgkantoor geen reactie.

Het zorgkantoor onthield op 5 oktober 2020, gehandhaafd bij besluit van 17 december 2020, de goedkeuring aan de zorgovereenkomst omdat deze niet voldeed aan de daaraan te stellen voorwaarden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met moeilijke omstandigheden in 2020.

De Raad stelde vast dat partijen het erover eens zijn dat de zorgovereenkomst niet aan de eisen voldoet, waardoor het betoog van appellante faalt. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor terecht de goedkeuring aan de zorgovereenkomst heeft onthouden.

Uitspraak

22.337 WLZ

Datum uitspraak: 4 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2021, 20/3795 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante], erfgename van [betrokkene] (betrokkene), te [woonplaats] (appellante)
VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.W.M. van de Wouw, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wouw. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.S. Smulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
[betrokkene] (betrokkene) beschikte vanaf 19 december 2017 over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg. In verband hiermee heeft het zorgkantoor op grond van de Regeling langdurige zorg (Rlz) jaarlijks een persoonsgebonden budget (pgb) aan betrokkene verleend. Appellante is de dochter van de budgethouder en zij was aangesteld als gewaarborgde hulp.
1.2.
Betrokkene is op [datum] 2020 overleden.
1.3.
Appellante heeft op 27 juli 2020 een zorgovereenkomst en op 18 augustus 2020 een zorgbeschrijving aan het zorgkantoor gestuurd. Naar aanleiding van de ingestuurde stukken heeft het zorgkantoor gevraagd om een toelichting en de mogelijkheid geboden een aangepaste zorgovereenkomst en zorgbeschrijving in te dienen. Hierop heeft het zorgkantoor geen reactie ontvangen.
1.4.
Met een besluit van 5 oktober 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 december 2020 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor goedkeuring onthouden aan de onder 1.3 genoemde zorgovereenkomst. Het zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de zorgovereenkomst niet voldoet aan de daaraan te stellen voorwaarden.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellante heeft – samengevat – aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op moeilijke omstandigheden die aan de orde waren in 2020.
3.2.
Het zorgkantoor heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de zorgovereenkomst niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dit brengt mee dat het betoog dat het zorgkantoor ten onrechte de goedkeuring aan de zorgovereenkomst heeft onthouden niet kan slagen. Wat appellante heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen.
4.2.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en J.C. Boeree als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) R.R. Olde Engberink