Appellant ontving bijstand vanaf oktober 2018, maar het dagelijks bestuur trok deze bijstand in en vorderde kosten terug wegens het niet melden van een vermogen aan sieraden ter waarde van € 41.500,- en onduidelijkheden over de aan- en verkoop van meerdere auto's die op zijn naam stonden. Appellant voerde aan dat hij de sieraden pas kort voor de diefstal had verkregen en dat deze slechts voor een deel tot zijn vermogen behoorden, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Ook was onvoldoende duidelijkheid over de financiering en verkoopprijzen van de auto's.
De Raad oordeelt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door het bezit van de sieraden niet te melden en onvoldoende informatie te verstrekken over zijn autohandel. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld voor de betreffende perioden. Daarnaast werd een aanvraag om bijstand afgewezen omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de intrekking, terugvordering en afwijzing van de aanvraag terecht zijn. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.