Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college besloot de bijstand per 26 juni 2019 in te trekken omdat appellanten niet alle gevraagde bankafschriften hadden overgelegd. Appellanten hadden wel gegevens verstrekt, maar niet volledig, mede door moeilijkheden bij het verkrijgen van Belgische bankafschriften.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of aan de voorwaarden voor intrekking was voldaan. Het college heeft niet adequaat gehandeld door onder meer onjuiste aannames te maken over het niet reageren van appellanten en door onredelijke eisen te stellen aan de vorm van bankafschriften.
Verder is vastgesteld dat het niet overleggen van bankafschriften geen schending van de inlichtingenverplichting inhoudt, waardoor het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de Participatiewet. De Raad vernietigt daarom het besluit tot intrekking en beveelt het college een nieuw besluit te nemen, waarbij het college wordt opgedragen zelf de benodigde bankafschriften op te vragen.
Daarnaast bevestigt de Raad de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand over de periode januari tot en met maart 2019, omdat stortingen op de rekening als inkomen worden aangemerkt. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellanten.