ECLI:NL:CRVB:2023:197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvullende bijstand wegens ontbreken zeer bijzondere omstandigheden
Appellant, gehuwd met een niet-rechthebbende partner die in het buitenland verblijft, ontving aanvankelijk aanvullende bijstand volgens de norm voor alleenstaanden. Het college trok deze bijstand in op grond van artikel 24 van Pro de Participatiewet (PW), omdat appellant niet duurzaam gescheiden leeft van zijn partner, waardoor hij slechts recht heeft op bijstand volgens de gehuwdennorm. Appellant deed meerdere aanvragen om aanvullende bijstand, die het college afwees. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij duurzaam gescheiden leeft of dat zijn situatie daarmee gelijkgesteld moet worden, en dat toepassing van artikel 24 PW Pro hem onder het sociaal minimum brengt, zodat afstemming op grond van artikel 18 PW Pro naar een hoger bedrag gerechtvaardigd is. De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven niet aannemelijk is, omdat uit feiten en omstandigheden blijkt dat het echtelijk samenleven werd voortgezet en geen daadwerkelijk beletsel voor hervatting bestaat.
Verder stelde de Raad vast dat bij een aanvraag om aanvullende bijstand de bewijslast voor het bestaan van zeer bijzondere omstandigheden bij de aanvrager ligt. Appellant slaagde er niet in deze omstandigheden aannemelijk te maken. Zijn financiële tekort werd grotendeels toegeschreven aan autokosten en aan de financiële ondersteuning van zijn niet-rechthebbende echtgenote, waarvoor bijstand niet bedoeld is. Het beroep op beleid van het college faalde eveneens.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag aanvullende bijstand wegens het ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden.