ECLI:NL:CRVB:2023:196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening medeterugvorderingsbesluit bijstand
Appellante had een relatie met X, die bijstand ontving als alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum had bij besluiten in 2014 en 2015 bijstand aan X ingetrokken en teruggevorderd, mede van appellante vanwege gezamenlijke huishouding en haar inkomen boven de bijstandsnorm.
Appellante verzocht in 2019 om vrijstelling van betaling van het medeterugvorderingsbedrag, stellende dat zij niet had geprofiteerd van de bijstand en dat terugvordering onredelijk was gezien haar sociaal-culturele achtergrond. Het college wees dit verzoek af wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de procedure niet bedoeld is om de juistheid van het oorspronkelijke besluit opnieuw te toetsen en dat het verzoek niet tot een oordeel van evidente onredelijkheid leidt.
De Raad overwoog verder dat het college discretionaire bevoegdheid heeft om medeterugvordering toe te passen en eventueel kwijtschelding te verlenen, maar dat in deze zaak geen verzoek om kwijtschelding was ingediend. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het medeterugvorderingsbesluit is afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd en het besluit niet evident onredelijk is.