Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2012

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
3 november 2023
Zaaknummer
22/2153 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning driewielfiets met trapondersteuning en onderhoudsbijdrage

Appellante, geboren in 1961 en lijdend aan een evenwichtsstoornis en ernstige recidiverende depressies, vroeg het college om een maatwerkvoorziening in de vorm van een EasyLegs Pro driewielfiets of een persoonsgebonden budget (pgb) van €8.691,51. Het college verstrekte een pgb van €2.402,13 voor een driewielfiets met trapondersteuning en een maandelijkse bijdrage van €33,24 voor onderhoud en reparatie.

Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de maatwerkvoorziening adequaat was. Appellante voerde hoger beroep aan tegen dit oordeel, stellende dat alleen de EasyLegs Pro voldeed aan haar behoeften, met name vanwege sportieve aspecten.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het college een gedegen medisch onderzoek had laten uitvoeren, waaruit bleek dat appellante meer dan 800 meter kon lopen, gebruik kon maken van het openbaar vervoer en dat een driewielfiets noodzakelijk was voor haar veiligheid. De Raad vond geen aanwijzingen dat het onderzoek onvolledig of onjuist was en verwierp het betoog dat sportieve aspecten onvoldoende waren meegewogen, mede omdat appellante deze niet als doel had aangegeven.

De Raad concludeerde dat het college met de verstrekte maatwerkvoorziening een passende bijdrage heeft geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de driewielfiets met onderhoudsbijdrage wordt bevestigd.

Uitspraak

22/2153 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
3 juni 2022, 21/2610 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 24 oktober 2023

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 3 november 2020 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een reguliere driewielfiets met trapondersteuning verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Daarnaast heeft het college voor de duur van zeven jaar een maandelijks bedrag verstrekt voor onderhoud en reparatie. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 april 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M. de Jong hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is op zitting behandeld op 12 september 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Roelen.

OVERWEGINGEN

Totstandkoming van het bestreden besluit
1.1.
Appellante, geboren in 1961, heeft een evenwichtsstoornis, ernstige recidiverende depressies en andere aandoeningen.
1.2.
Op 31 augustus 2020 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening bestaande uit een zogenoemde EasyLegs Pro van [naam B.V.] (EasyLegs Pro) dan wel een pgb ter hoogte van € 8.691,51 om deze driewielfiets zelf te kunnen aanschaffen.
1.3.
Bij besluit van 3 november 2020 heeft het college op grond van de Wmo 2015 aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een pgb, bestaande uit een bedrag van € 2.402,13 voor de aanschaf van een driewielfiets met trapondersteuning en een bedrag van € 33,24 per maand voor onderhoud en reparatie. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.4.
In het kader van het bezwaar heeft het college adviesbureau Oreon verzocht een medisch advies uit te brengen. [naam arts] ([arts]), arts indicatie & advies, heeft onderzoek verricht.
1.5.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet adequaat is. Dat appellante alleen baat heeft bij een EasyLegs Pro is in geen geval komen vast te staan.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4.1.
De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad doet dat aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd, de hoger beroepsgronden.
4.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
4.3.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Het college heeft geconcludeerd dat appellante graag een driewielfiets wil voor het overbruggen van wat langere afstanden. De vervoersbehoefte van appellante bestaat uit het doen van boodschappen, in beweging blijven en recreatief fietsen. [arts] heeft lichamelijk onderzoek verricht en de (medische) problematiek van appellante in kaart gebracht. Hij heeft uiteengezet dat appellante meer dan 800 meter kan lopen en dat appellante gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Appellante gaat lopend naar de Albert Heijn en terug. Een loophulpmiddel kan een oplossing bieden voor ervaren balansproblemen. Het gebruik van een tweewieler heeft [arts] niet wenselijk geacht, omdat appellante bij een stop door een been kan zakken. Een derde wiel aan een fiets is noodzakelijk om veilig te kunnen op- en afstappen. De beenkracht van appellante is op grond van bevindingen tijdens het onderzoek als voldoende beoordeeld om zich te kunnen verplaatsen op een fiets. Appellante is medisch gezien in staat geacht om aan gangbare sportieve activiteiten (bijvoorbeeld de sportschool bezoeken of zwemmen) deel te nemen.
4.4.
In de beroepsgronden van appellante zijn geen aanknopingspunten te vinden om de onder 4.3 genoemde onderzoeksbevindingen voor onvolledig of onjuist te houden.
4.5.
Dat het college, zoals appellante betoogt, met de verstrekte maatwerkvoorziening “het aspect van sport van de beoogde maatwerkvoorziening” geheel uit het oog is verloren, volgt de Raad alleen al niet, omdat appellante het beoefenen van sportieve activiteiten tijdens het onderzoek naar haar vervoersbehoefte niet heeft benoemd als probleem of als doel voor de gevraagde maatwerkvoorziening. Het betoog dat er geen ander hulpmiddel dan de EasyLegs Pro fysieke trainingen (‘sportvereiste’) verzorgt treft hiermee ook geen doel. Dit betoog is bovendien niet onderbouwd.
4.6.
Wat appellante heeft aangevoerd kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het college met de verstrekte maatwerkvoorziening niet een passende bijdrage heeft geleverd aan een situatie waarin appellante, uitgaande van haar vervoersbehoefte, in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie.
Conclusie en gevolgen
5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5.2.
Appellante krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt