Appellant ontving diverse besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem betreffende een individuele inkomenstoeslag en afwijzing van bijzondere bijstand. Tegen deze besluiten maakte appellant bezwaar, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat de gronden van bezwaar te laat waren ingediend.
Appellant stelde dat de gronden wel tijdig waren ingediend en bracht een verklaring van de zwager van zijn gemachtigde in, die op 30 december 2020 de bezwaarschriften in de brievenbus van de instantie had gedaan. De rechtbank verwierp dit bewijs en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring, mede vanwege het datumstempel van 5 januari 2021 op de brieven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verklaring van de zwager concreet, gedetailleerd en verifieerbaar was en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan om dit bewijs te weerleggen. Ook bleek uit de postverwerking van de instantie dat het datumstempel niet betrouwbaar was als bewijs van de ontvangstdatum.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraken van de rechtbank en de besluiten van het college, en beval het college nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd appellant in het gelijk gesteld en kreeg hij een vergoeding van de proceskosten en griffierecht.