ECLI:NL:CRVB:2023:2107

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
22/2749 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring derde verzoek om herziening nabestaandenuitkering

Verzoekster heeft een derde verzoek om herziening ingediend tegen de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, waarin haar aanvraag voor een nabestaandenuitkering werd afgewezen. Eerdere verzoeken om herziening werden eveneens afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. De Raad beoordeelt dat het verzoek onredelijk laat is ingediend, omdat het meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de oorspronkelijke uitspraak is ingediend en er geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) zijn aangevoerd.

De Raad benadrukt dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak te voeren. Verzoekster heeft niet gereageerd op eerdere beslissingen waarin haar verzoeken werden afgewezen wegens termijnoverschrijding. Hierdoor wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en blijft de oorspronkelijke uitspraak van 31 januari 2019 ongewijzigd.

Verzoekster krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 10 november 2023.

Uitkomst: Het derde verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

22/2749 ANW
Datum uitspraak: 10 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, 17/4474 ANW
Partijen:
[verzoekster] te Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:366.
De Svb heeft geen reactie ingezonden op dit verzoek om herziening.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2023. Verzoekster is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. N. Diamant.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

In deze uitspraak verklaart de Raad een derde verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:366, niet-ontvankelijk. Het verzoek is nietontvankelijk verklaard, omdat het verzoek onredelijk laat is ingediend.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een uitspraak van 31 januari 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017, 16/7244, bevestigd. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard omdat de Svb terecht de aanvraag om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet heeft afgewezen.
1.2.
Een eerste verzoek om herziening van de uitspraak van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 heeft de Raad afgewezen bij uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828.
1.3.
Een tweede verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 is niet ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 3 juni 2021, ECLI:NL:2021:1328.
1.4.
Op 3 oktober 2022 heeft verzoekster weer gevraagd om herziening van de uitspraak van 31 januari 2019.
Het standpunt van verzoekster
2. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij het financieel zwaar heeft en geld nodig heeft om in haar persoonlijke behoeften te kunnen voorzien.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoekster in haar verzoek om herziening heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb [1] kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, wordt voorop gesteld dat van degene die om herziening van een uitspraak vraagt, mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Deze regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de termijn van één jaar gebonden.
4.4.
De gronden van het verzoek om herziening komen erop neer dat verzoekster opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover – na een inhoudelijke beoordeling – is beslist bij de uitspraak van de Raad van 31 januari 2019. Het is vaste rechtspraak van de Raad [2] dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Daar komt in dit geval bij dat verzoekster niet ingaat op de eerdere uitspraak van de Raad van 3 juni 2021 waarin is geoordeeld dat appellante niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat het te laat is ingediend.
4.5.
Bij het herzieningsverzoek zijn, zoals gezegd, geen nova gesteld en het herzieningsverzoek is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het verzoek om herziening wordt niet ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de Raad van 31 januari 2019 blijft in stand.
5. Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) L.C. van Bentum

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218.