ECLI:NL:CRVB:2023:2118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering WW-uitkering wegens samenloop met ZW-uitkering
Appellante ontving vanaf 15 mei 2020 een Ziektewet-uitkering (ZW) en tegelijkertijd een Werkloosheidswet-uitkering (WW). Het Uwv besloot de WW-uitkering in te trekken en terug te vorderen omdat appellante geen recht had op beide uitkeringen tegelijk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat terugvordering terecht was.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat terugvordering in strijd was met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Het Uwv wijzigde het standpunt en verlaagde de terugvordering naar het bedrag van de ZW-uitkering. De Raad oordeelde dat appellante geen recht had op afzien van terugvordering op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat appellante niet tot de groep behoorde waarvoor het Uwv in soortgelijke gevallen afzag van terugvordering.
De Raad vernietigde het bestreden besluit van 12 maart 2021 en verklaarde het beroep daarop gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het latere besluit van 28 november 2022 ongegrond. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt deels gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de WW-uitkering deels vernietigd.