Verzoekster stelde hoger beroep in tegen een uitspraak over de terugvordering van een Tozo-uitkering. Tijdens de procedure besloot het college tot invordering van het teruggevorderde bedrag, waarop verzoekster bezwaar maakte en een verzoek om voorlopige voorziening indiende om de invordering op te schorten.
Het college schortte de invordering op, waarna verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening introk en proceskostenvergoeding vorderde. Het college voerde verweer dat het verzoek niet nodig was omdat de invordering al was opgeschort en dat telefonisch contact had volstaan.
De Raad oordeelde dat het college inderdaad geheel tegemoet was gekomen aan het verzoek door de invordering op te schorten, zodat toepassing van artikel 8:75a Awb tot proceskostenveroordeling leidt. Er waren geen bijzondere omstandigheden die hiervan afweken. Het standpunt van het college dat telefonisch contact eerst had moeten plaatsvinden, was begrijpelijk maar geen bijzondere omstandigheid.
De voorzieningenrechter veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, begroot op € 1.255,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 136,-. De uitspraak werd gedaan door rechter Marechal op 10 oktober 2023.