Appellante diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor medicinale cannabis, welke door het college werd afgewezen vanwege draagkracht uit inkomen. Tijdens de bezwaarprocedure kende het college tijdelijke bijzondere bijstand toe. Appellante trok haar verzoek om een voorlopige voorziening in, met toestemming voor uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, gebaseerd op een brief van het college die appellante niet had ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hierdoor het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, waardoor van een eerlijk proces geen sprake was. De Raad besloot het appelverbod buiten toepassing te laten en vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Omdat appellante inmiddels kennis had genomen van de brief en beroepsgronden had aangevoerd, wees de Raad de zaak niet terug maar besloot zelf over de proceskosten.
De Raad stelde vast dat het college met de tijdelijke toekenning van bijzondere bijstand gedeeltelijk aan het verzoek tegemoet was gekomen, waardoor appellante recht had op proceskostenvergoeding. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van in totaal €1.750,- aan proceskosten en terugbetaling van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en griffier op 8 oktober 2024.