ECLI:NL:CRVB:2023:2181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen beslissingen van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure zijn meerdere onafhankelijke deskundigen benoemd die rapporten uitbrachten. Het UWV heeft uiteindelijk met een nieuwe beslissing op bezwaar geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, waarna het hoger beroep is ingetrokken.
Appellant vorderde vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand en deskundigenkosten. De Raad heeft deze kosten beoordeeld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven in strafzaken en heeft een vergoeding van €10.973,18 toegekend.
Daarnaast is een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechter behandeld. Gezien de complexiteit en het verloop van de procedure acht de Raad een redelijke termijn van vijf jaar gerechtvaardigd, terwijl de procedure feitelijk ruim acht jaar duurde. De Staat wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €3.500,- en vergoeding van proceskosten van €418,50.
Tot slot wordt het door appellant betaalde griffierecht van €336,- door het UWV vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 november 2023.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en de Staat tot vergoeding van schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.