ECLI:NL:CRVB:2023:22
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag douchecabine wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante, geboren in 1962 en voorzien van een onderbeenprothese, vroeg het college van burgemeester en wethouders van Assen om een persoonsgebonden budget voor het plaatsen van een douchecabine in haar nieuwe gelijkvloerse woning. Het college verleende een verhuiskostenvergoeding en een verrijdbare douchestoel, maar wees de aanvraag voor een douchecabine af op advies van een medisch adviseur van Argonaut, die geen medische noodzaak zag voor een douchecabine.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het advies van Argonaut voldoende grond bood om aan te nemen dat een verrijdbare douchestoel volstaat voor veilig douchen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat een douchegordijn onvoldoende water tegenhoudt en dat de badkamer daardoor nat wordt, wat haar beperkingen bemoeilijkt. Zij overhandigde een rapport van een ergotherapeut ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de plattegrond van de badkamer niet aannemelijk maakt dat een douchegordijn onvoldoende is. Bovendien kan appellante haar prothese op een droge plek aandoen dankzij de verrijdbare douchestoel en de directe toegang tot de slaapkamer. Er was geen aanleiding voor nader medisch onderzoek of benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een douchecabine is afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak; een verrijdbare douchestoel is voldoende.