Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
22/2692 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij Ziektewet-uitkering

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich op 6 november 2018 ziek. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe. Op 2 juni 2020 handhaafde het UWV deze uitkering, maar na bezwaar van de ex-werkgever wijzigde het UWV dit op 11 februari 2021 en stelde dat appellante vanaf 8 april 2020 geen recht meer had op de ZW-uitkering omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de ZW-uitkering per 3 november 2020 was beëindigd en het teveel ontvangen bedrag niet zou worden teruggevorderd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel procesbelang had vanwege een lopende WIA-procedure waarbij de ZW-beoordeling van belang zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het feit dat een inhoudelijk oordeel in de toekomst mogelijk relevant kan zijn voor een WIA-aanvraag, levert geen voldoende procesbelang op. De Raad bevestigde dat het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt moet kunnen worden en dat dit hier niet het geval is.

Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2022 wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

22/2692 ZW
Datum uitspraak:16 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2022, 21/3432 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 2 juni 2020 heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de Ziektewet (ZW) ongewijzigd voortgezet. De ex-werkgever van appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) dit bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat appellante met ingang van 8 april 2020 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering omdat zij in staat wordt geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. T. Erdal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd behandeld met de zaak 22/3887 WIA plaatsgevonden op 5 oktober 2023. Voor appellante is verschenen mr. Erdal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellante volgens de rechtbank geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar recht op ziekengeld. Appellante stelt dat zij wel procesbelang heeft omdat nog altijd een WIA-procedure loopt waarbij de
ZW-beoordeling van belang is. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster bij [Naam bedrijf] voor 32 uur per week toen zij zich voor dit werk op 6 november 2018 heeft ziekgemeld. Het Uwv heeft aan appellante een ZW-uitkering toegekend.
1.2.
Met het besluit van 2 juni 2020 heeft het Uwv bepaald dat de ZW-uitkering van appellante niet verandert. De ex-werkgever van appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat appellante met ingang van 8 april 2020 geen recht meer heeft op ZW-uitkering. In het bestreden besluit heeft het Uwv opgemerkt dat de 104 weken ziekteperiode van appellante al is volbracht, dat daarom de ZW-uitkering eerst per 3 november 2020 is beëindigd en dat de door appellante te veel ontvangen ZW-uitkering niet zal worden teruggevorderd. Volgens het Uwv had appellante redelijkerwijs niet kunnen weten dat zij geen recht meer had op de
ZW-uitkering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad geoordeeld dat appellante geen procesbelang heeft omdat het Uwv in het bestreden besluit heeft gemeld dat appellante de 104 weken ziekteperiode heeft volbracht en dat de ZW-uitkering om die reden per 3 november 2020 is beëindigd.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zij wel procesbelang heeft omdat er nog altijd een procedure loopt tegen het besluit om aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dat het teveel ontvangen ziekengeld niet zal worden teruggevorderd en dat de ziekteperiode van 104 weken is volbracht, maakt dit volgens appellante niet anders. Bij het bestreden besluit is immers aangenomen dat per 8 april 2020 geen recht meer bestaat op een ZW-uitkering, wat volgens appellante meetelt bij de beoordeling van de aanvraag op grond van de Wet WIA. Deze grond slaagt niet.
4.1.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar de rechtbank ook terecht heeft verwezen, vloeit voort dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. [1]
4.1.2.
De rechtbank heeft met juistheid het beroep tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat uit het bestreden besluit volgt dat de (uitbetaling van de) ZW-uitkering eerst per 3 november 2020 is beëindigd en dat de te veel ontvangen ZW-uitkering niet zal worden teruggevorderd omdat appellante redelijkerwijs niet had kunnen weten dat zij (per 8 april 2020) geen recht meer had op een ZW-uitkering. Dat het belang ook gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter kan worden betrokken bij eventuele toekomstige, vergelijkbare, aanvragen [2] , maakt dat in dit geval niet anders.
4.1.3.
Het is in beginsel juist dat een beoordeling in het kader van de ZW van belang kan zijn bij een daarop volgende WIA-beoordeling. De aanvraag van appellante voor een
WIA-uitkering heeft echter geleid tot een volledig, actueel verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek (zie de zaak met nummer 22/3887 WIA). Procesbelang voor de nu aan de orde zijnde zaak levert dat niet op. Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) A.M. Korver

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2016:2805.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2958.