Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door het niet melden van alimentatiebetalingen van haar ex-partner en kasstortingen op haar bankrekening. Het college startte een onderzoek na een melding over alimentatie en besloot tot herziening, terugvordering van € 6.152,95 bruto en een boete van € 645,24.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist van de alimentatiebetalingen omdat deze via haar vader liepen en dat zij vertrouwde op doorgeven door de gemeente Rotterdam. Ook stelde zij dat kasstortingen eigen geld betrof en dat zij niet wist dat zij deze moest melden. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden, omdat zij redelijkerwijs had moeten weten dat zij de alimentatie en stortingen moest melden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens gebrek aan toezeggingen.
Verder stelde de Raad vast dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen direct verband hielden met eerder opgenomen eigen gelden. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbraken, aangezien de financiële situatie van appellante niet uitzonderlijk was. De boete werd bevestigd omdat de schending verwijtbaar was en de hoogte passend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden besluiten bleven in stand.