ECLI:NL:CRVB:2023:2330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV geconcludeerd dat appellante slechts 2,19% arbeidsongeschikt is, later aangepast naar 2,88% in bezwaar, wat nog steeds onder de 35% grens ligt.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellante voldoende waren gemotiveerd. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies is door de arbeidsdeskundigen adequaat onderbouwd.
Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, waaronder klachten aan knieën, enkels, overgewicht, hoestklachten, hartritmestoornis, verhoogde cholesterol en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. De Raad volgt dit niet en stelt dat de verzekeringsarts terecht op eigen oordeel is afgegaan en dat er geen aanleiding was om aanvullende medische informatie op te vragen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en handhaaft het besluit van het UWV om de WIA-uitkering te weigeren. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.