Appellant, werkzaam als militair in een specifieke functie met bijbehorende rang, verzocht om herziening van zijn functiebeschrijving omdat deze niet overeenkwam met zijn feitelijke werkzaamheden. Na een initiële goedkeuring van het verzoek volgde een besluit van de minister waarbij de functiebeschrijving en waardering werden vastgesteld, maar de functiebeschrijving werd gehandhaafd zoals vastgesteld op 2 oktober 2020.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellant dat de functiebeschrijving niet de feitelijke werkzaamheden weerspiegelde. De Raad stelde vast dat de werkzaamheden die appellant feitelijk uitvoerde niet volledig waren opgenomen in de vastgestelde functiebeschrijving en dat het besluit daarom in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en droeg de minister op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.